Handelsakkoord VS-Europa: concurrentiekracht van de Europese voedingsindustrie bedreigd
- François Remy

- 29 jul
- 3 minuten om te lezen
Donald Trump en Ursula von der Leyen hebben dan wel voor duidelijkheid gezorgd door de heffingen op producten die de EU naar de VS exporteert vast te leggen op 15%. In de nasleep van het akkoord overheerst vooral onzekerheid over de werkelijke gevolgen en de nakende problemen. Met name voor de voedingssector.

De president van de VS en de voorzitter van de Europese Commissie zijn het dus eens geworden over een tarief van 15% invoerheffing op EU-producten die de VS binnenkomen. Hoewel belastingen nooit prettig zijn, komt hiermee een einde aan maanden van buitensporige dreigementen om het tarief te verdubbelen, wat rampzalig dreigde te worden voor die producenten op het oude continent die voor hun olijfolie, wijn en kaas afhangen van de afzet over de Atlantische Oceaan. Het akkoord biedt nu in ieder geval duidelijkheid en enige mate van houvast.
Het doet het wel het gevoel ontstaan van een puur politiek akkoord, zonder exacte aanwijzingen over hoe een en ander in de praktijk geïnterpreteerd zal worden. En al bij al is dit een serieuze verharding in de handelsrelaties, vergeleken met het gemiddelde percentage van 1,2% dat van kracht was vóór Trump in het Witte Huis terugkeerde. Als gevolg daarvan wordt de Europese agrovoedingsproductie minder concurrentieel, wat de groeimogelijkheden voor deze beloftevolle markt zou kunnen belemmeren, zegt het CELCAA (Comité européen de liaison des échanges agricoles et agroalimentaires), de in Machelen gevestigde koepel van de Europese ondernemingen en sectororganisaties.
Welke producten en dranken zullen er het ergste onder lijden?
Voorlopig is de Amerikaanse president niet erg expliciet geweest over hoe de nieuwe belasting op de verschillende Europese voedingsproducten zal worden toegepast. Dit maakt het moeilijk voor Europese exporteurs om de extra kosten te becijferen, of om verlagingen van de marges te plannen om de kosten te absorberen, of door te rekenen aan de consument.
Bedrijven zullen hun toeleveringsketens wellicht eerder globaal herbekijken en kiezen voor landen met lagere tarieven, zoals Mexico. Zeker niet alle angst is hiermee weggenomen en er kunnen nieuwe risico’s opduiken die verband houden met de politiek, de economie, de infrastructuur en zelfs het klimaat.
In België maken we ons spontaan vooral zorgen om onze frieten en chocolade. “Er zijn eigenlijk drie sectoren die meer blootgesteld zijn dan andere: de aardappelverwerking, dus frieten inderdaad; chocolade en zoetwaren; en gebak, bakkerijproducten, wafels en koekjes”, vertelde de woordvoerster van Fevia, de Belgische federatie van de voedingsindustrie, vanop de Landbouwbeurs van Libramont aan de RTBF. Met 75% van de verkoop op de Amerikaanse markt is de vrees van deze sectoren verre van ongegrond.
Onvermijdelijke gevolgen?
Op de twijfelachtige symboliek van deze Amerikaans-Europese deal volgt een enorm industrieel en commercieel herpositioneringsproject, met nieuwe onderhandelingen met kopers en nieuwe manieren om de kosten af te wentelen. De Verenigde Staten zijn de op drie na grootste handelspartner van de Belgische voedingsindustrie, goed voor 2,5% van de totale export en een bedrag van ongeveer een miljard euro. Ter illustratie: het economische gewicht van de voedselexport loopt voor Europa op tot meer dan 73%.
Op dit moment worden de Belgische consumenten nog niet rechtstreeks getroffen. Maar een domino-effect kan zijn dat de Amerikanen die de politieke rekening moeten vereffenen, zich van onze producten zullen afkeren en het verlies aan Europese concurrentiekracht daar, zou dan hier op de interne markt voelbaar zijn. Deze zwakte is vooral duidelijk in de export van de Waalse voedingsindustrie, waarvan de productie vorig jaar het laagste niveau sinds 2017 bereikte (-2,9% van de omzet).




